Ga je met me mee?
Daar waar de geasfalteerde weg steeds slechter, smaller en kronkeliger wordt. Daar waar je maag in opstand komt tegen nog een haarspeldbocht op nog grotere hoogte.
Daar waar Tom Tom het opgegeven heeft en je onbekend gps terrein betreedt. Daar waar het uitzicht en de lucht steeds adembenemender wordt.
Ergens voorbij die grote naaldboom, die je wuivend tegemoet riekt, haar harssappen een perfecte ruiker makend met buxus, wilde thijm en droge warmte.
Daar voorbij ligt een petit hammeau bestaand uit acht huizen, waarvan vijf al dan niet permanent bewoond en drie in ruines uiteengevallen zijn.
Daar, tenminste 35 min verwijderd van ‘het’ dorp en een uur van de route du soleil was een eigenzinnige ‘La Hollandaise’ dertien jaar geleden zo gek om een ruïne te kopen met een groot stuk land – er was een kersenboomgaard, 2 caves, een bron - en verbouwde dit eigenhandig en met, toen al!, Poolse arbeiders (@7fl. p/u) tot een heerlijk zomerhuis met een zonovergoten, door blauwe regen omzoomd terras.
Vanaf het grote terras kijk je diep het Rhône dal in, en zie je aan de overkant de besneeuwde Alpen van Zwitserland en Italië.
Je ziet ook hoe de elementen spelen met de natuur.
Hoe de wolken zich aanvleien als prille verliefden tegen de omliggende bossen of als botsende querulanten met die zelfde bossen vechten, de wind als dirigent haar capricieuze karakter tentoonstellend.
De wereld draait door, maar hier is ie bijna tot stilstand gekomen.
Gespeend van radio, televisie, netwerk lig ik hier heerlijk op het terras in een schommelende lounger.
Bij de tocht naar boven heb ik inkopen gedaan bij de intermarche. Ik heb water, brood, groenten en fruit. Meer heb ik niet nodig. O ja, en wijn.
Na een paar dagen geef ik me over aan de heerlijke Ardechoise Viognier of een Syrah uit Cornas of Hermitage. Sinds Latour [sorry boys – het wijnhuis, niet die tanige scharminkels op tweewielers] een flinke financiële injectie in dit wijngebied gestopt heeft, en goede wijnmakers heeft aangesteld, is de Ardeche ‘up and coming’, maar dit terzijde.
De voorraad boeken slinkt aanzienlijk. Eindelijk de Ooggetuige uitgelezen: dreigende en voorspellende roman over een psychiater die Hitler van zijn megalomanie probeert te genezen, geschreven in ’36!; vastgebeten in Tony Judts’ Postwar verrijk ik mijn kennis en begrip over de Europese geschiedenis.
Tuurlijk beide afgewisseld door de laatste Opzij [zomerthema: Lust en Verlangen] en de Esta [thema al weer vergeten ].
Als ik niet lees, lummel ik wat aan. Lummelen is tot kunst verheven, deze vakantie. Ik maai het gras, wied onkruid, bind de druiven goed op, ontdoe het huis van geleedpotigen, volg de tientallen vlinders.
Ik wandel eens links de berg af, een paar km naar beneden totdat ik in een beekje kan zwemmen. Klim dan weer ploeterend omhoog, mijn klaterschone huid weer met zweetpareltjes bedekkend.
Of ik wandel rechts de berg af, wederom een paar km en trek dan de bossen in, campagne overstekend totdat ik bij de, vòòr de tweede wereld oorlog gesloten, steen- en zilvermijnen kom.
Prachtige bouwvallen, ooit groots en imposant, steengroeven waar halfedelstenen het landschap laten fonkelen.
Op mijn wandelingen kom ik hooguit een geit tegen. Of zie een buizerd hangend in de lucht. De stilte is hier oorverdovend.
Bij aankomst in Chassac, ja, de hammeau heeft een naam, heb ik mijn opwachting gemaakt bij de langstlevende en langst wonende inburgers, een echtpaar van dik in de tachtig dat al meer dan 60 jaar op deze berg woont. Tijdens de koffie word ik bijgepraat over wat zoal gebeurd is, de afgelopen periode. Ooit liep madame 1 x p.w. de berg af om in de omliggende gehuchten en campings eigengemaakte picodon kaasjes en fromage frais te verkopen. Monsieur, die verbouwde het land.
Hij rijdt nu één keer per week met de auto, autostoel tegen het stuur aan geschoven, ogen priemend de bochten om starend, naar een minuscuul stukje land, om daar een beetje te ploeteren.
Het zijn schaduwspelen, want na 2 hartaanvallen is zijn wereldje nog kleiner geworden, en wacht de dood even rustig als zijn omgeving op hem.
Deze week is de hammeau in rep en roer. Een geweldig onweer heeft er voor gezorgd dat de telefoonkabels aan elkaar gesmolten zijn, en nu zit Chassac, maar ook 2 omliggende hammeaus zonder telefoon. En dit duurt nu al een week. Het is ‘terrible’, want ook al is het vacance, zonder telefoon is dit gebied volledig afgesloten van de wereld.
En ook al heeft de ‘portable’ zijn intree gedaan in lager gelegen gebieden, hier op de berg geldt dit niet.
De vaste lijn is in 1970 hier gekomen en here to stay.
De andere inwoners, welgeteld 7 mensen (2 zussen, 2 echtparen en een thuiswonende dochter) , 4 katten en 1 hond verzamelen om de haverklap bij madame en monsieur op het plaatsje om de laatste details van de ‘telecom’ te vernemen. De telecom heeft al meerdere pogingen tot herstel gedaan, resulterend in het verkeerd verbinden van de lijnen, wat een echte Babylonische spraakverwarring te weeg bracht.
‘Spreek ik nu met Madame Taboule?’ ‘Nee, dit is mijn nummer van de Valettes’ enzovoort. As we speak, is het euvel nog niet verholpen, en draait de tamtam weer op volle toeren.
Wat mij er toe bracht, bij mijn 2e kopje koffie van de week, te zeggen aan madame, dat de telefoon helemaal niet nodig is: ze weet immers precies wat er speelt op deze en de omliggende bergen.
En ik, vannacht had ik opeens bereik op mijn gsm en heb ik weer internet.
Soms is vooruitgang stilstand.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten