zondag 30 november 2008

For F*ck Sake
























Een goede autoverkoper kent twee zekerheden: een klant komt nooit ‘zomaar’ de showroom binnenlopen en een auto kopen is een kwestie van gunnen.
Dit moet een van de lessen geweest zijn die zoonlief van zijn vader leerde.
Zijn vette onvoldoende in eindexamenvak tekenen op de middelbare school, was in elk geval geen graadmeter voor zijn huidige status.



De man is 43. En pas 17 jaar echt ‘on the scene’.
Damien Hirst.


Enfant terrible van de kunst wereld presteert het weer. Slimme marketeer of de nieuwe Andy Warhol?
Feit is dat hij ‘the most influential individual in the art world is, today.’

Veilde hij onlangs nieuwe werken rechtstreeks via Sothebys met uitsluiting van de Saatchi gallery, de mecenas die hem groot maakte. Opbrengst: 111 miljoen pond.
Brak daarmee alle gevestigde records en zeker gezien in het licht van de kredietcrisis is dat uitzonderlijk.
Werd groot door conceptuele kunst en installaties. Meest bekende exponent van de YBA’s (Young British Artists) en alleen daarom al in zijn eentje verantwoordelijk voor het huidige, creatieve moderne kunst klimaat aan de andere kant van het kanaal.
Zijn Natural History series (beesten op formaldehyde) zijn legendarisch en exemplarisch.
Evenals het vercommercialiseren van kunst.
Het mooie aan Hirst is dat hij nooit op zijn lauweren rust, maar altijd vernieuwt en daarbij de grens op zoekt, provocerend.
Met ingecalculeerd afbreukrisico.
En daarmee de kunstwereld, jij en ik steeds op het verkeerde been zettend.
“Wat is kunst, vind ik dit mooi, of afgrijselijk?”

Wanneer was Nederland, voor het laatst in de kunstzinnige picture?
Als de spotlight hier is, schijnt hij meestal in Groningen.

Nu heeft het Rijksmuseum de wereldprimeur van zijn meest dure creatie ooit.
For the Love of God – een platina schedel voorzien van van 8601 diamanten en kostte 14 miljoen pond om te vervaardigen.
Hoezo Bling Bling?
Te zien vanaf 1 november tot 15 december. De aanpalende ruimte in het rijksmuseum is ingericht door Damien Hirst zelf.

Afgelopen vrijdag toog ik met de trein om de schedel met eigen ogen te aanschouwen. En passant zag ik ook nog eens de echte Nachtwacht, in plaats van de replica in Edam.

Ongeduldig volgde ik de borden ‘Damien Hirst – For the Love of God’.
Via een smalle zwarte gang kom ik in de tabernakel.
De duisternis wordt door acht kleine spots, gericht op de schedel, verlicht.
Ik zie nog niets.
Mijn ogen wennen aan het donker en zien dat de glazen kubus waarin de schedel zich bevindt, omringd is door mensen.
Mensen bewegen, glimpen toestaand.
Eenmaal dicht tegen het glas, schittert de schedel je tegemoet.
Wat is ie klein en fragiel.
En tegelijkertijd straalt hij een immense, onwereldse kracht uit. Contrastrijk.

Hoe is dat mogelijk? Een platina afgietsel van een schedel, gezet in diamanten.
Een uit de hand gelopen sierraad.
Een pronkjuweel met een straatwaarde van inmiddels zo’n 100 miljoen dollar.

De mensen met mij in de ruimte vergapen zich aan deze schoonheid.
In de weerspiegeling van het glas zie ik alleen maar glimlachende, warme, onderzoekende gezichten.
Zonder uitzondering.
Ik keer drie keer terug, door schittering en mystiek verblind.

Personificatie van de ontwikkeling van mensheid. Treffend.
Dit is Kunst.

Damien zou Damien niet zijn, als er geen uitgebreide merchandising aan vast zat. Het T-shirt, de pet, sleutelhanger, poster. Voor ieder wat wils.

“For the Love of God questions something about the morality of art and money."

Rest mij nog een vraag? Hoe gaat zijn nieuwe kunst er uit zien als zijn moeder heftigere krachttermen gaat roepen?

WATT

Op tijd zijn en toch een half uur wachten in de rij om naar binnen te komen.
Het ‘We gaan naar een kicken concert gevoel‘ suisde van kop naar staart en terug.
Eenmaal in de entree van het nieuwe WATT valt de vijftien meter hoge stenen muur met regenboog verlichting op.
WATT is het nieuwe Nighttown, dat weer de nieuwe Arena was.
Het heeft onder leiding van de broertjes Tieleman en Ted Langenbach een modern duurzaam eco sausje qua uitstraling gekregen.
Niet verkeerd.
Eenmaal in de zwarte rocktempel, begon de avond met een verzameling koper: tuba, trombone, trompet.
De Kift uit West Friesland blies lucht en plezier uit.
Fanfare meets punk meets de keuken meets vermakelarij.

Wij zijn naar boven getrokken en hangen uitgekiend aan de balustrade.
Dan om 20.30 stipt stapt Franz Ferdinand het podium op en neemt in.
Look Sharp shoes, strakke, zwarte skinny jeans.
Koel.
Image is everything.
Nog voor het tweede nummer begint staat de rocktempel al te kolken.
Ongekend. Opzwepend.
Retestrak gitaargeweld.
Alex flext benen en armen, speelt gitaar a la Jimmy H.
Onder ons kolkt de menigte als een uitgelaten school vissen die door de stroming alle kanten op zwiept.
Franz Ferdinand dolt iedereen en speelt ons plat. Letterlijk.
Wij hangen aan de reling als uitzinnige paaldansers, headbangend, rug de verkeerde kant opduwend, pogoënd.
Muziek nodigt uit tot gierende luchtgitaren en hard meeschreeuwen.
Net wanneer je in een stevige mars stapt, klaar om te gaan springen, verandert de muziek in een voorbij denderende trein en kun je even op krachten komen.
Om vervolgens in de volgende straffe gitaarsessies mee te gaan, alsof je een ragdoll bent.
Aan het eind sprongen de drie leden het podium af om crowdsurfend gewiegd te worden.
Franz Ferdinand: op handen gedragen.

Afkoelen, meer bier en gin.
Even naar de basement om het piepjonge en hoogst energieke Cut off your Hands in actie te zien.
Talentvol. Maar niets kan FF overtreffen.

Mijn concertmaatjes taaien af, maar ik heb ondertussen oude bekenden getroffen en wacht geduldig op Hercules & Love Affair, een Newyorks DJ initiatief dat de limelight even stal door een gastoptreden van Antony Hegarty.
Om hem is het te doen. Die kwam niet. Was bekend.
Het eindigt weer met koper.
Hercules wordt gedragen door twee blazers, trompet en trombone.
Pas bij het derde nummer swingt het een beetje. Jammer.
Zelfs het mooie ‘Blind’ blijft steken in het donker.

Herinneringen aan een puike avond zitten vandaag vast in mijn nek, rug en stramme knieen. Mag ik nog even navoelen.

zondag 23 november 2008

Over de doden niets dan goeds

Kerkhoven hadden een zuigende werking op haar.
Als de onderstroom van de zee.
Uitnodigend en gevaarlijk.



Als dochter van een moeder, was ze precies dat.
Meer had ze niet nodig, mannen ook niet.
Die overtuiging hield ze lang vast. Te lang.
Haar broer voelde zich al jong half wees.
Zij nam haar vaders naam pas aan bij meerderjarigheid, toen het niet anders kon.

Wat je niet herinnert, kun je ook niet missen.
Simpel en doeltreffend mantra.
Als ze haar moeder er naar vroeg, ontmoette ze vrieskou.
Bevroren herinneringen, met onderhuidse, kolkende emoties.
Ze sloot een deur.

Ze koos haar eigen weg.
Twintig jaar geleden ging ze schoorvoetend op zoek.
Burgerzaken kon haar niet helpen. Plaats van overlijden onbekend.
Via omwegen komt ze er alsnog achter. Te laat.
Het graf was al geruimd.
Ze sloot weer een deur.

Ze raakte zwanger.
Ik wil een zoon, wenste ze.
Het universum is haar welwillend.

Geen projectie. De pijn stopte hier.
Nieuw onontgonnen terrein.
Eindelijk besef dat ze voor 50% uit voor haar onbekend DNA bestaat.
Gespit en gewroet in haar stamboom.
Zelfrealisatie.

Dit jaar stond ze aan het graf van haar oma, haar moeders’ moeder.
Die huilt om haar verlies.
“Dit heb je mij ontnomen”, schiet door haar heen.
Ze zegt het haar. Weer die ijsklont.
Die deur blijft gesloten.

Een mooie herfstdag ergens in de provincie Groningen.
De dag na haar verjaardag loopt ze over een klein kerkhof met haar zoon.
Op zoek naar voorouders.

Haar zoon raapt witte steentjes van een dubbel graf en gooit ze in de lucht.
Hij lacht en heeft plezier. Ze loopt op hem af, en leest de zerktekst.
Een warme rilling loopt over haar rug.
Hier liggen haar overgrootouders. Al een eeuw lang.
Haar vaders’ grootouders.
Zijn tak komt opeens dichterbij.
Tastbaar bijna.
“Maak ze maar wakker”, zegt ze lachend tegen haar zoon.

Voortaan heeft ook zij een gedenkplaats waar ze naar toekan.
De koude kant ontdooit.


Dit blog is een bewerking van de November opdracht van het Fantasierijk

maandag 17 november 2008

Ouwe Besjes

Truus en Jan.
De wereldzeeën over geweest en beland als illegaal in Nederland. 1978.
Iedereen wil ze hebben maar het kan niet.
Ze beschikken niet over de juiste papieren.



Ik bevind mij op het verjaardagsfeestje van mijn wijze oude vrouw, mijn pleegmoeder zo je wilt. (zie Als Godin in Frankrijk).
Setting: vanavond in een kunstgalerie in Primitive Art in Rotterdam.
Gasten: ouwe besjes, voormalig beau monde, nu de nestors, van cultureel en kunstzinnig bepalend Nederland in de jaren 70 en 80. Bekende acteurs, actrices, architecten, kunstenaars en fotografen.
Het is gezellig. Ik ben al aan mijn 2e fles Chardonnay.
Ronddartelend 2e leg niet meegeteld, ben ik de jongste.
En dus de nieuwsgierigste.
De alcohol helpt mij en ook mijn publiek.

De vermaarde architecten (60+) leg ik het vuur aan de schenen over hun keuzes voor hun studie. Als 17 jarigen was de kunstacademie not done, want niet academisch genoeg en kozen ze bouwkunde aan de TU. Gesjeesde B studenten eigenlijk. Werktuigbouwkunde was te moeilijk, en een taal, ja dat ging al helemaal niet. Dan werd je docent.
Of zoekend naar een thuis, verwoord in hun bouwstijl.
Een van hen promoveerde alsnog onlangs op de architectonische kleur van Le Corbusier.

Met dank aan Bacchus kom je al snel op associatieve gesprekken.
Een weiland vol met dieren.
“Ik zie alleen maar slacht- en schranspartijen”.
“Koeien zijn multitaskers, daarom eet ik nog wel rund”.
Blij met melk.
Varkens daarentegen…
Ik werp op “zijn goede detectives, want vinden truffels”.
Het verstomt in de roes die alcohol heet.

Dan ontspint zich een discussie met de galeriehoudster (70+) over de ethiek van het meenemen van oudheden uit alle landen waar ze over zwierf in de jaren 60-70-80.
Op mijn eigen reizen was ik altijd bewust van de ‘museumwaarde' – dus behoorde dat het land toe – van enkele aangeboden stukken. “Hoe keurig” krijg ik om mijn oren geslingerd.

Truus en Jan. 9000 jaar oud.
Mathilde had een galerie in Romeinse oudheden, genaamd -2000.
Op een dag kwam een Hollander binnen en bood haar aan: 2 mummies. Gevonden in zijn eigen kopermijn in Chili.
Hij had ze beiden zittend vervoerd in 2 postzakken in het ruim van een vliegtuig. Illegaal.
Mathilde neemt ze in consignatie. Vier jaar lang.
Ze koopt twee glazen vitrines en plaatst ze daar in met hun attributen. Ze adverteert.
Alle bekende musea en handelaren komen kijken, maar het is contrabande: ze kunnen niet legaal gekocht.
Sinds 1965 is het verboden te handelen in dit soort cultuurgoed.

Voor Mathilde worden het een soort kostgangers.
Ze praat met ze. Aait over hun lederen armen.
Na 4 jaar vindt ze een koper in Antwerpen. Een oude verzamelaar die al 12 mummies heeft.

Truus en Jan worden gekleed met pet op de achterbank geplaatst van haar oude Renault.
Haar man rijdt achter haar aan.
Tot de grens. Verder durft hij niet.

Zij levert ze af in Antwerpen voor 50000 gulden, een habbekrats, en één voorwaarde.
Na zijn dood moeten de mummies terug naar Chili.
Zijn overige mummies vindt ze maar macaber. Soort fetisjisme.

Truus en Jan worden in 1988 op het vliegtuig gezet naar Chili, voor een zielvolle begrafenis.
Eindelijk weer thuis. Full circle.

vrijdag 7 november 2008

Freeze Frame

Ik zal zeventien geweest zijn toen ik hem voor het eerst ontmoette. Hij was vier jaar ouder, een vriend van mijn jongere broer.
Ze hadden elkaar gevonden in de muziek, geloof ik.
Ik vond hem een beetje zonderling en onverzorgd.
Lange slungel met sluik, lang, vettig piekhaar, nog thuiswonend in een kamer die geheel donkerbruin geschilderd was. Zelfs het plafond.
Hij leefde de nacht, zo leek het.
Zijn grote passie was de fotografie. Had zijn eigen doka en droomde van een glansrijke carrière als fotograaf.
Hij fotografeerde meisjes.
Er kwam een moment dat hij aan mij vroeg of ik model wilde zijn voor hem.

Ik was een sjaaltjes meisje. Nog niet zo lang teruggekeerd uit Schotland, en had me moeiteloos aangepast aan het hockey milieu van een middelgroot dorp onder de rook van Rotterdam.
Een sjaaltje was al een stuk losser dan de das die bij mijn Schotse schooluniform hoorde.

Ik ging in op zijn voorstel en sprak af bij hem thuis. Niet wetende hoe hij me wilde fotograferen, had ik besloten om mijn mooie, van mijn oma gekregen, bontjas mee te nemen.
Onwennig nam ik plaats op een kruk, terwijl hij de achtergrond instelde, mij een lichtmeter in mijn handen duwde en me met opmerkelijk zachte hand positioneerde en mijn haar uit mijn gezicht weg streek.
De foto’s die hij schoot waren geen glamour, maar stillevens.
Het donkere van zijn leefruimte haalde het donkere in mij naar boven.
Mijn emoties spatten van zijn lens af. Zwart-wit.

Gedurende een kleine twee jaar zat ik met een bepaalde regelmaat model. Hij bedacht een thema, ik voerde het uit. Nooit een lach, altijd een verhaal.
Rende ooit een half uur lang over een donkere galerij, terwijl hij een langzame sluitertijd instelde. Vertolkte een aangerand meisje. Hij wist niet hoe dicht hij op mijn huid zat. Poseerde als een hoogzwangere Maria voor zijn kerstkaart die de boodschap “De messias is reeds onderweg” droeg. Blasfemisch en resulterend in een kleine rel in een gereformeerd dorp als het mijne.

Eenmaal draaide hij naar me toe en beroerde mijn lippen met de meest zachte flutterende kus ooit. Totaal onverwacht.
Ik griezelde ervan, maar was tegelijkertijd hevig ontroerd.
“Ik moest dit gewoon even doen”, was zijn simpele uitleg.

Er is veel film geschoten. Ik kreeg slechts een enkele keer een afdruk. De weinige foto’s die ik had lijstte ik in.
Uiteindelijk verdwenen ook zij in een verhuisdoos, verkast naar zolder, aangeraakt door de tand des tijds.
Bij elke verhuizing loop ik door de foto’s heen en word dan geraakt door wat ik zie.
Hij haalde een schoonheid in mij naar boven, die ik zelf pas jaren later ontdekte. Op een moment, dat het mij speet dat ik die nooit eerder in mezelf gezien had en het mijn ouderlijk huis verweet mij ook niet gezien te hebben.
Naast die schoonheid is het ook een snapshot van een voor mij moeilijke periode, die even genadeloos als achteloos lijkt vastgelegd en mij herinnert aan die tijd.
De foto’s halen alléén die flitsmomenten terug.
Geen film; geen stream of consciousness.
Een herinnering die ik koester, omdat de foto’s een gevoel terughalen. Enerzijds een verlangen weer te zijn wie je was; anderzijds de wens om dingen anders te verwerken met de wijsheid en kennis van nu.

Gisteren stonden we na 25 jaar oog in oog met elkaar. Toeval.
Ik dronk ergens koffie met een vriendin en mijn zoon. Hij herkende mijn stem en liep op me af. “Josefine?”.
Hij schoof aan en probeerde in vijf minuten vijfentwintig jaar te overbruggen met obligate vragen.
Vervolgens vertelde hij mijn vriendin hoe wij elkaar kenden.
“Die bontjas foto van jou, daar heb ik zo vaak reacties op gehad. Die foto is legendarisch binnen mijn kring."
De bontjas. Terplekke herinner ik me een foto die ik heb, zet mezelf in pose en mood en zeg “Bedoel je deze?”
“Nee, ik bedoel een andere”.
Mijn gezamenlijk geheugen bestaat uit de foto’s die ik heb.
Ik kijk hem blanco aan.
“Wacht, zegt hij, ik heb hem bij me. Wil je hem zien?”
Nog voor ik kan reageren staat hij op, loopt weg en komt terug met zijn mda.
Tien seconden later zie ik mezelf terug als zeventienjarige, gekleed in mijn oma’s bontjas mét sjaaltje.
Mijn expressie is één van maagdelijkheid die ik niet meer herken. Omhuld door warm bont. Dat toen nog bescherming bood.
Hij klikt door naar een andere, voor mij nieuwe foto, van mij twee jaar later.

Geshockt ben ik. Geshockt dat ik onverwacht in een timewarp geplaatst word en geconfronteerd word met mezelf van toen. Met nieuwe foto's en nieuwe herinneringen.
Geshockt dat ik gevangen en meegedragen ben.

Taboe

De internet bestelling op een Britse farmaceutische website rond ik net af.
Totale kosten iets minder dan 40 Engelse ponden.
Levering aan een ander adres dan het mijne.
Net voor ik de site weg wil klikken, wordt mijn nieuwsgierigheid gewekt.
Op tijd.
Misschien kan ik ook goedkoop scoren?
Ik vind niet wat ik zoek. Maar wel wat verdacht veel lijkt op Britse humor.
There’s no cure for curiosity.
De volgende categorie wenkt mij.

Embarrassing conditions

“If you have an embarrassing health problem or condition Pharmacy at Hand can offer discreet advice and solutions”.

Ik klik verder en vind:

- Acne, Bad breath, Constipation, Cystitis, Diarrhoea, Head lice & Scabies, Dandruff, Eczema & Psoriasis, Scars & Marks, Fungal Infections, Hair loss, Itchy Anus, Jock Itch, Odour control, Snoring, Sweating, Thrush, Vaginal care, Wart & Verruca treatments, Trapped wind, Worms, Piles.

Het is een feit. De Victoriaanse tijd bestaat nog steeds.
Het Verenigd Koninkrijk is niet voor niets een eiland.

Bijna alles wat met persoonlijke hygiëne te maken heeft. Geconcentreerd op plekken waar haargroei voorkomt en lichaamsgaten bedekt.
Dat is zo’n beetje het gemeenschappelijke van de ‘embarrassing conditions’.
Ik ben al even eufemistisch in mijn uitleg.
Ik kan natuurlijk net als Charlotte Roche schaamteloos en bevrijdend gaan praten over aambeien, de geur van kutjes, smegma, roos en de smaak van sperma.
En dan hopen op evenveel Hyves hits als zij Vochtige Streken verkocht, nu al meer dan 700000. Zou ze ooit het eiland veroveren?

Gebiologeerd door dit laatste cross cultural taboe? doe ik snel een cross check.
Bij een Hollandse online apotheek site staan dit soort klachten gerubriceerd bij ‘overige middelen’.
Neutraal. Zit geen luchtje aan.
Kun je zonder plaatsvervangende schaamte bestellen.

Alleen trof ik op deze Hollandse site een andere intrigerende categorie.
Lifestyle middelen.
Drie keer raden wat daar onder valt!



“Hallo met mij. Wil jij even voor mij een bestelling plaatsen op het internet voor …..”
Ze spelt de naam. Ik doe of ik doof ben.
“Mam, je kunt hier in Nederland ook van alles kopen.”
“Nee, dat werkt niet. Ik heb alles al geprobeerd.”
Al 25 jaar gebruikt ze dit goedje, alleen op dat eiland verkrijgbaar.
Weegt niks, kost geen drol.
“Over twee weken is mijn voorraad op”.
“Als je niet bestelt dan boek ik nú een vliegticket om het bij Boots te kunnen kopen”.
Eigenlijk vind ik dát wel een ludieke actie.
Een pakje weegt 40 gram, kost nog geen 4 pond en gaat een jaar mee.
Vliegtuig in, vliegtuig uit met alleen een handtas.
Maar ze is mijn moeder dus bestelde ik met lichte tegenzin een voorraad voor de komende acht jaar. Kan zij weer lachen.

IcesaFe - alléén als het ijs en ijskoud is

Kruiend ijs, stapelt schots op schots
Ijsbergen pieken tot in de
transparante hemel, het paradijs
Gletschers, ijswanden staan trots
net zo grillig als de conjunctuur
Spiegelend paleis.

Dan als de koude keert
En het wordt te heet onder
de voeten
Geysir nog eenmaal verwoestend erupteert
Smelt alle ijs als winst voor de zon

En wordt man tot lemming in het overbevolkte water
dat tot aan de lippen komt
Wat glinstert is Gullfoss alles wegspoelend
in moordend tempo
Overweldigend natuurtalent

Weg ijs, weg goud
Verdampt, verkrampt
Ontwaard
Less than zero
Alleen eigen haard was goud waard

Twee

Ruim drie en half uur nadat ik naar operatiekamer vier was gebracht werd Jake geboren. Die laatste uren kenden een hoog drama gehalte. In de week dat ik in het ziekenhuis was, had mijn lichaam een extra 25! liter vocht opgeslagen. Dit omdat mijn nieren niet meer functioneerden. Ik zag er uit als een lijk dat een maand in het water had gelegen. In die drie uur werd met man en macht gewerkt aan het enigszins buigen van mijn rug opdat de anesthesist een goede spinaal punctie zette. Er zat zoveel spanning en vocht in mijn lijf, dat op het moment dat de 15 cm holle naald mijn rug in ging, deze naald alle kanten, behalve de goede, opzwiepte. Het hoofd van de anesthesie prikte; er was geen betere anesthesist. Er moest goed geprikt. Het wilde niet lukken. Elke keer moest hij een wervel omhoog. Elke keer werd de druk opgevoerd en liep de tijd door. Mijn conditie werd zienderogen slechter. Een nieuw insult en bloedbad tijdens de keizersnee moest voorkomen worden. Om me heen hoorde ik steeds de kalmerende woorden van het team, dat me bemoedigend toesprak. Ik was de rust zelve. Zo erg zelfs dat wanneer ik hoorde dat men volledige narcose besprak, ik zei “Nee, dat niet. Dat wordt mijn dood. Ga maar gewoon snijden. Dan maar zonder verdoving.” Alsof het om het vullen van een gaatje in een kies ging. De anesthesist nam een time out van 5 minuten. Zijn hoofd moest leeg. Bij zijn terugkeer plaatste hij zijn 12e naald. Ik voelde gelijk een warme sensatie door mijn onderlijf en zei het. In allerijl werd er gereageerd. De spinaalanesthesie zat. Ik werd op de operatietafel getild en men begon acuut met de keizersnee.
“Ik krijg geen lucht”, wist ik nog net te zeggen. Een zuurstofmasker werd gelijk geplaatst. Door de hoogte van de verdoving raakten mijn ademhalingsspieren tijdelijk verlamd.



Jake, klein lief beertje van nog geen twee kilo kwam met 32 weken de wereld in gevlogen. Zijn komst was al even bijzonder als zijn conceptie. Dwong mij en zijn vader er gelijk te zijn, voor hem. Het ene moment zit je nog midden in de ontkenning, totaal gefocust op andere zaken. En dan, je hebt geen keus, ben je ouder. Je wilt ook geen keus meer.
Zo’n heel klein ventje, dat gelijk al zelfstandig ademend, liggend in een couveuse, volledig afhankelijk is van je. Jouw zorg, jouw liefde, jouw aandacht.
Jake werd naar mij toegebracht in de couveuse een dag na zijn geboorte. Eerder kon niet: ik kreeg een tweede insult na de geboorte.

Een klein mensje gebundeld liggend tussen mijn borsten. Dit was mijn zoon.
Zachtjes legde ik mijn hand om hem heen, en probeerde de wirwar van gevoelens te ontkluwen. Ongeloof.
Ongeloof dat dit wonder uit mijn buik is gekomen. Dit perfecte wezen. Ongeloof dat ik moeder ben. Mijn lichaam reageerde sneller dan mijn geest: mijn borstvoeding kwam op gang. Ik moest kolven, Jake kreeg sondevoeding. Had nog geen zuigreflex.

Op de derde dag ging ik met de rolstoel naar neonatologie om Jake voor de 2e keer te zien, en kennis te maken met de verpleging die voor hem zorgde. Het was belangrijk dat wij een band met hem opbouwden, hem gingen verzorgen en met hem buidelden.
Er kwam een verpleegkundige naar me toe. “Jij hebt HELLP gehad, hè. Doe het maar rustig aan. Het kan wel drie jaar of langer duren voor je weer hersteld bent.”
HELLP syndroom. Het was de eerste keer dat ik hoorde wat ik mankeerde. Haar woorden kliefden door me heen. Vooral …. ‘wel drie jaar' ……. Ik kon morgen niet eens overzien. Tot op de dag van vandaag doen haar woorden nog het meest pijn, want bewaarheid.

Bijna twee weken later was ik thuis en zat in het ritme kolven- met de taxi naar het SFG- kolven- SFG –slapen –kolven. Ik overleefde met behulp van schema's. Sjors is heel lief tijdelijk bij me in huis getrokken en zorgde voor me ’s avonds en ging naar zijn zoon in het SFG.
Jake is een bikkel. Na vier weken mocht hij de dag voor mijn verjaardag naar huis.
Het eerste halfjaar was heel zwaar. Aanleggen, teruglopen borstvoeding, niet willen drinken, voed je op vraag of op gezette tijden, vinger voeden. Tegen vooral het laatste had ik grote aversie. Het leek wel alsof ik een gans vol stopte, om het daarna te willen slachten voor de foie gras.
Ik wilde het allemaal zo goed doen. Grote plannen. Alleen nog maar biologische voeding, zowel voor mij als voor Jake. Geen synthetische stoffen. Katoenen luiers. Alles op de antroposofische manier. Radiostilte. Ontwikkeling van het superbrein. Slapen in een Piet Hein Eek bedje. Moderne kunst op zijn kamertje in plaats van speelgoed.

Al heel snel kwam mijn pragmatische aard weer boven en koos een eigen aanpak die de goede, uitvoerbare aspecten integreerde en de rest ging op het hellend vlak.
Daar voelde ik me een stuk lekkerder bij. En Jake ook. We kwamen in een prettig ritme samen.

Het voordeel van een prematuur kind is dat er medisch gezien goed op gelet wordt. Zo kreeg Jake elke maand tot zijn 1e verjaardag peperdure inentingen tegen het RS virus. Hij had en een fysio- en een manueel therapeut in diezelfde periode, die er voor zorgden dat zijn schedel,nekje en rugwervels goed ontwikkelden.

Jake ontwikkelde zich voorspoedig. Na een jaar had hij zijn achterstand ingelopen en werd hij niet meer ‘gecorrigeerd’ opgenomen in de statistieken.

Jake is na beertje, smurfje en boefje nu een echt ventje geworden.
Jake is een sociaal, ondernemend en vrolijk jochie. Een dwarse peuter met een heerlijk sterk willetje. Onderzoekende geest en ongelooflijk aanhankelijk. Je kunt wat mij betreft niet genoeg je kind knuffelen.
Ons avondritueel – het rekken van slapen gaan – behelst het tot in de treure kussen van zijn voetzolen. “Kusje, kusje”, terwijl ik om en om een voet in mijn gezicht geduwd krijg. Op zijn beurt kust hij zijn knuffels, de buddha’s en een ieder die er om vraagt. Een high en low five behoort al een half jaar tot het standaard repertoire.

Deze zomer is hij heel stoer met zijn even zo stoere papa op vakantie gegaan naar Frankrijk, kamperen. Een belevenis. Twee weken zagen we elkaar niet. Bij thuiskomst huilde ik het hardst.

Alle clichés zijn waar, laat ik dat voor op stellen.
Het is een volstrekt irrationele keuze om voor het ouderschap te kiezen (heb je wel te kiezen?). Je weet niet hoe het is om ouder te zijn totdat je het bent.

Jake is natuurlijk het knapste, liefste, stoutste, mooiste kind. Er is geen betere.
Mijn blinde moedervlek groeit gestaag. En zal dat blijven doen.
Het mooiste aan mezelf vind ik dat ik onvoorwaardelijk liefheb. Me geen leven zonder hem kan voorstellen. Tegelijk realiserend dat hij vanaf zijn geboorte, gelijk ieder kind zich los aan’t maken is van de ouder. Ik hoop dat ik onbevangen blijf. Dat ik me net zo verwonder over alles, als hij dat doet. Jake bewaakt en bewaart het kind in mij.
Ik wou dat ik strenger was. Maar hij is zo leuk. Hij wil vast dat ik strenger ben, daarom daagt hij me uit.

Als hij straks over een paar uurtjes wakker wordt zal ik zijn verbaasde blik zien. Het hele huis is versierd met slingers en ballonnen. Hij mag straks de kaarsjes uit blazen, zijn handen en gezicht in de taart duwen. Zijn cadeautjes uitpakken. Het is zijn feestje.

Mijn lieve ventje is twee. Samen zijn we twee.


If I had a child
What a child it would be
Never have to bathe
Have sweets for every meal
Wear their favourite clothes every day
And go to bed when they want to
Have jellybeans for breakfast
And run free whereever they please
If I had a child
What a child it would be
You see them play in the shade
And pick apples off the trees
If I had a child
It would be the child that God made

Eén

Ik hang boven het toilet en geef over.
Als ik uitgekotst ben en mezelf in de spiegel bekijk, zie ik de vochtwallen onder mijn ogen. De weegschaal klokt tien kilo meer vergeleken met drie dagen ervoor. Iets klopt hier niet.
Het is vijf over acht, als ik de doktersassistente bel vanaf mijn werk met de vraag of ik tussen de middag even langs mag komen om mijn bloeddruk te laten meten en bij haar op de weegschaal te staan.
“Ik voel me niet zo lekker”, kwalificeer ik mijn verzoek.

Als ik vier uur later en drie kilometer verder bij de dokter aankom, ben ik blij dat ik even een rustpuntje heb. De oude doktersweegschaal trekt mijn gewicht niet, net zo min als de bloeddrukmeter. Die springt spontaan van mijn bovenarm. Bij de tweede poging geeft hij 160/110.
Ongeloof. 120/65 is normaal voor mij. Wat verontrust overleg ik met mijn arts, die me adviseert met de gynaecoloog te bellen in het ziekenhuis. Kort en zakelijk geef ik de feiten door en hoor dat ik maar even langs moet komen. Op mijn fiets maak ik de rit van West naar Noord, slechts vijf kilometer tegen de wind in. Het voelt alsof ik alleen maar een vals plat berijd.
Net voordat ik het ziekenhuis in ga, pleeg ik een telefoontje en vertel ‘What’s happening”.

Enigszins ongerust stap ik het SFG binnen, en ga naar de polikliniek. Ik word in een lege kamer gezet en een verloskundige i.o. neemt de anamnese af. Er wordt bloed en urine afgenomen; ik word aan een monitor gelegd en krijg een riem om mijn buik die de harttonen op moet pikken van mijn ongeboren kind. Ik lig alleen, minuten en uren verstrijken. De verloskundige i.o. komt terug en brengt een katheter in om schone urine te krijgen. De mijne was niet helemaal zuiver. Als ik schoon en ongelood geplast heb, wordt dit opnieuw naar het lab gestuurd voor analyse.
Om half zeven ’s avonds krijg ik het verlossende woord: “Mevrouw Hekstra, u mag niet naar huis, u wordt opgenomen”. Een steek gaat door mijn lijf.
“Niet naar huis, waarom niet?”
“U heeft eiwit in uw urine”.
“Ja, en? Wat houdt dat in dan?”
“U heeft waarschijnlijk pre-eclampsie, zwangerschapsvergiftiging”.

De Z van Zwangerschapsvergiftiging. Ik ken het woord nauwelijks. Ik ben pas bij de A van Acceptatie. Ik mag dan wel zwanger zijn: er mee bezig zijn doe ik alleen de laatste tien minuten van de dag als ik in bed lig, voordat ik ga slapen. Dan probeer ik me voor te stellen, wie er in me groeit. Leg ik mijn handen op mijn harder en ronder wordende buik en probeer ik mijn kindje te voelen. Ik heb hem nooit in mijn buik gevoeld, nooit voelen schoppen, nooit horen hikken. Hij lag daar maar, heerlijk, in gewatteerde buikwand met daartussen nog de placenta.

Ik bel mijn vriendin op en vraag haar naar het ziekenhuis te komen met wat toiletspullen en een nachthemd, die zij gelukkig voor me heeft. Ook vraag ik haar om een aantal zakelijke spullen.
Ik word naar zaal gebracht en krijg een bed naast het raam. Met mij erbij liggen er 5 vrouwen te wachten op hun bevalling. Ik voel me ontheemd. Ik hang een beetje op bed, wachtend op mijn vriendin. Sms kort en bondig de laatste ontwikkelingen door aan mijn dierbaren. Knoop ondertussen korte gesprekjes aan met de dames. Hoor hun kwalen en redenen waarom ze hier liggen. Ik zeg alleen dat ik me vanochtend niet lekker voelde, een probleemloze zwangerschap kende tot nu toe en niet goed begrijp waarom ik nu moet blijven. Dat ik ook verwacht dat ik morgen wel weer naar huis toe ga, Ik voel me toch niet zó slecht? Bij het horen van ‘mogelijke zwangerschapsvergiftiging’ krakeelt de één na de ander. De boodschap is eensluidend: je moet rust houden!
Ik lig op een zaal met zwangere vrouwen. Ik moet er aan geloven. Fien, ook jij bent zwanger! 31 weken, wel te verstaan!
Langzaam aan begint er iets in te dalen.
Het is dinsdagavond 19 september 2006.

Na een moeizame nacht in een te klein bed waarvan de lakens steeds schoven op de met plastic bedekte matras, word ik vergast op mijn eerste ziekenhuis ontbijt rond half zeven. Sneetje wit, sneetje bruin, plakje geel, plakje rood. Thee en limonade. Vervolgens is het wachten op de doktersronde om elf uur. Voor die tijd is er weer bloed bij me afgenomen, is mijn bloeddruk opgemeten en heb ik weer die riem om mijn buik gehad.
Terwijl ik wacht op de dokter, bel ik met mijn secretaresse. Voor me op bed liggen drie aantekenmappen en mijn laptop. Ik maak aantekeningen terwijl ik met haar praat en werk delegeer. Mijn to do lijstje wordt to do later lijstje. De dames om me heen vragen aan me of ik niet wat rustiger kan doen. Dit is toch nooit goed voor me? Maar ik denk nog steeds naar huis te kunnen gaan.
De verpleegsters hebben gevraagd hoe ik me voel. Ik voel me goed. Mijn bloeddruk is naar beneden, maar mijn bloed- en urine waarden geven een alarmerend beeld. Dat krijg ik te horen als de gynaecoloog i.o. langskomt.
“We houden u hier tot 35-36 weken. Vanaf die datum is een ingeleide bevalling te doen; is het kindje voldoende gegroeid”.
Shit, nog 5 weken in dit ziekenhuis? Zijn ze nou helemaal betoeterd. Ik sms met vriendin die een verloskundige praktijk heeft. We hebben het over thuis monitoren. Dat ga ik de dames en heren doktoren hier straks wel even duidelijk maken.

Ik wil van zaal af. Ik sta op en strompel voorbij de verpleegpost. “Waar gaat u naar toe”, vraagt de zuster. “Ik ga even naar beneden”, antwoord ik. Ik wil naar buiten. De warmte en droge lucht komen me nu al de strot uit.
Dan hoor ik een uitgaansverbod tegen me afgekondigd worden. Ik mag niet van zaal af. En ik mag ook niet lopen.
De eerste tranen wellen op. Tranen die al verstikt waren van de dag ervoor. Ik begin ontredderd te huilen. Voel me gekooid. Nog geen 24 uur geleden fietste ik doodleuk hiernaar toe, nietsvermoedend. Nu mag ik niets meer. Ik leg dit uit aan de verpleegster en vraag om haar begrip. Ik wil de frisse lucht voelen, ik wil vijf minuten naar beneden. Alsjeblieft. Ze strijkt over haar hart. Ik mag in een rolstoel naar beneden met een begeleider. Een van de dames die een sigaret wil roken (old habits die hard, even when you’re pregnant) duwt me de lift in. Eenmaal beneden scoort zij een sigaret en ik verlaat mijn rolstoel om even te gaan fietsen. Mijn vrijheidsdrang uit zich door even te gaan fietsen. Als een kind zo blij leg ik honderd meter af: een ritje heen en weer langs geparkeerde auto’s. Meer trek ik niet. Dan met een big smile klim in weer in de rolstoel en laat me terugbrengen naar de afdeling. De fiets zal daar vijf weken blijven staan.

Mijn eerste bezoek komt langs. Mijn laptop wordt ingenomen en ik krijg een vermanend standje. “Besef je wel Fien, dat je in de ontkenning zit?”
Nou èn of ik dat besef. Ik wil er alleen niet aan. In een sneltrein vaart ben ik hier beland en in diezelfde vaart moet ik accepteren dat ik zwanger ben, ziek ben, zo mogelijk erg ziek, dat ik controle uit handen moet geven, dat ik rustig moet blijven, dat ik alles moet doen om te zorgen dat ik overeind blijf.
Geen moment nog, denk ik aan het levende wezen in me. Ik voel het immers toch niet? Ik maak me derhalve ook geen zorgen om hem. Maar ook nog niet om mezelf.

Nu ik gehoord heb dat ik na onderhandelen over thuis monitoren, toch echt in het ziekenhuis blijf en toch wel echt tot 35 weken, kom ik tot inkeer en leg me neer bij de situatie.
Switch ik uit office modus naar laisser faire modus. Het helpt enorm dat ik drie jaar lang als projectmanager in het Erasmus MC heb gewerkt. Ik weet dat ik in het SFG in heel goede handen ben.
Ik heb nog een eis. Als ik toch moet blijven, wil ik een goed bed. Een bed dat me ruimte en steun biedt. Mijn lichaam begint op een stuwmeer te lijken. Alles zet zich vast in mijn lijf.
Er komt een speciaal bed voor mij. Een bed dat normaliter gebruikt wordt voor zwaarlijvige patiënten die een maagverkleining krijgen. Dit bed, dat niet in de normale lift past en met moeite de gang op kan heeft een stalen opgebouwd frame. Ik zal daar nog goed gebruik van maken om me op te trekken en om vol te hangen met kaarten en knuffels. Mijn eigen kussen van thuis wordt gebracht. Ik installeer mij. Ik ben bijna prinses op de erwt.

Inmiddels zijn op mijn pols en hand allerlei infuusnaaldjes ingebracht en beginnen mijn armen blauwe plekken te vertonen van het vele (mis) prikken. Ik maak een ritje met een verpleegster naar de bovenste verdieping om op de weegbrug te staan. Men moet immers weten hoeveel ik weeg en aankom.
Ik lees wat tijdschriften, hang wat af en keer steeds meer in mezelf.
Regelmatig checkt de verpleging hoe ik me voel. Als ik een strak bandgevoel om mijn maag voel, of hoofdpijn krijg, misselijk ben of lichtflitsen zie, moet ik hen waarschuwen. Ik voel niets van dat alles. Voel ik eigenlijk wel?

In de nachten ben ik onrustig. Ik kan niet slapen. Ik sta steeds op en ga dan op zoek naar de nachtzuster. Maak een praatje en duik dan weer mijn bed in. Ik wacht op de dag. Op de dag is er genoeg afleiding. Hoef ik niet te voelen. Kan ik ook niet nadenken.

Een paar dagen glijden voorbij. De prognose wordt bij elke visite bijgesteld. Als het vrijdag is krijg ik te horen dat men me volgende week wil gaan inleiden en dat ik prikjes ga krijgen voor de longrijping van mijn ongeboren kind. Die prik krijg ik in mijn dijbeen. Ik vind dat zo’n vreemde gedachte. Een prik krijgen in je dijbeen om de longen van je kind te doen rijpen. In je dijbeen. Hoe helder denk ik nog?
Ik ben wel blij dat men steeds bijstelt en dat ik dus versneld het ziekenhuis zal verlaten. Dat het óók betekent dat ik volgende week moeder zal zijn, daalt nog niet in. Nog steeds niet, ook al verdwijnen er dames van mijn zaal om te bevallen.

Vrijdag nacht is een keerpunt. Ik word wakker van lichtflitsen. Ik zie lichtflitsen, realiseer ik me. En nu? Wat nu? Ik doe mijn ogen open en zie dan na een halve minuut een lichtflits buiten hoog in de lucht. Het onweert. Niet in mijn hoofd. Geruststelling. Tijdelijk.
Ik krijg het benauwd. Ik heb het gevoel dat ik niet kan ademen. Ik blijf rustig. Ik bel de nachtzuster en vertel haar over mijn benauwdheid. Mijn longen lopen vol. En mijn urinezak blijft leeg.
Ik ga een tijdje bij haar zitten en wacht tot de uren verstrijken. Ik besef dat ik, als dit thuis gebeurd was, nooit 112 gebeld zou hebben. Ik ben oprecht blij dat ik hier lig.

De volgende ochtend word ik met bed en al verhuisd naar een privé kamer. Ik moet volledige rust krijgen. Geen afleiding meer. Gedoseerd bezoek, max. twee personen per keer voor een korte periode.
Ik heb een eigen badkamer. Als ik het benauwd krijg ga ik heel heet douchen met Kneipp eucalyptus badolie. Dan heb ik even het gevoel dat ik lucht krijg. Ik zal hierna nooit meer met eucalyptus douchen. Ik moet geholpen worden met afdrogen. Mijn lichaam staat strak van het vocht. Ik kan nauwelijks nog buigen. Een michelin mannetje is een slap aftreksel van hoe ik er uit zie.
Naast mijn bed staat een tafeltje. Op dit tafeltje ligt een keur aan medicatie en een aantal opgetrokken spuiten met steriele naalden. Klaar om in één keer acuut gebruikt te worden, indien nodig.

In ben inmiddels van laisser faire naar overlevingsmodus geswitcht. Een soort serene rust is over me heen gedaald. Ik voel alles om me heen vertragen. Mijn bezoek brengt me de heerlijkste lekkernijen. Verse biologische broodjes en yoghurt van Proef, mijn lievelingsspot. Verse sushi en sashimi. Galgenmaal, elke maaltijd weer. Ik word verwend en omringd met liefde.
Nooit maak ik me zorgen om mijn kind. Alleen met mijn ex man bespreek ik mijn grootste angst. Dat wat ik voel. Ik voel de dood heel dichtbij. Altijd heb ik gezegd dat ik zou sterven tussen mijn 41e en 42e levensjaar. Een aantal maand hiervoor had ik het nog met hem hierover gehad. Cameron zei toen dat ie dacht dat ik ook dood zou gaan. In figuurlijke zin: ik zou immers het leven schenken aan, en daardoor deel van mezelf verliezen. Nu lig ik hier en elke vezel in mijn lijf is getuned op overleven.

De dienstdoende arts heeft op de ochtendronde me verteld dat men niet meer gaat inleiden, maar een geplande keizersnee gaat uitvoeren op dinsdagmiddag, vier uur. Men heeft hier toe besloten omdat mijn waarden dramatisch snel achteruit gaan en de onvoorspelbaarheid van het ziekte verloop steeds grilliger wordt.
De verpleging heeft strikte orders mij niet ongerust te maken. Rustig te houden. Dat betekent ook dat ik niet van hen hoor, hoe ik er voor sta. Een lage bloeddruk is nu van het grootste belang. Mijn longen, nieren en lever doen het al niet meer. Laat dat hart nou met rust, is het devies. bij het meten van mijn bloeddruk springt steeds vaker de band van mijn arm; het wordt praktisch onmogelijk. Wel word ik weer voorzien van nieuwe infuusnaalden, op mijn knokkels. Mijn armen zijn zo gezwollen dat elke ader verdwenen is en elke vorm zoek.

Zondag krijg ik mijn eerste insult. Gek genoeg is die aangekondigd door mijn waarden en heeft de dienstdoende arts i.o. me al verteld wat mogelijk zal gaan gebeuren. Zij vertelt het me, omdat ik het haar vraag. Ik ben rustig en blijf rustig. Ik ben nou eenmaal iemand die graag de worst case scenario’s hoort, zodat ik me daar op in kan stellen. Mijn innerlijke vertraging zorgt ervoor dat ik mezelf behoed voor paniekaanvallen.
De rust die ik voel, is niet te beschrijven. Het is een soort gelatenheid, zonder dat ik me passief voel. Ik heb dat ooit eerder ervaren, toen ik de dood in de ogen keek bij een verkeersongeluk met dodelijke afloop tijdens mijn verblijf in Azië.
Een volkomen windstilte van de ziel.

Het insult kondigt zich aan in mijn benen. Mijn benen beginnen ongecontroleerd te trillen. Steeds heftiger en schokkender. Ik kijk er naar en kan niets doen. Ik duw op de rode knop en binnen no time staat de verpleging aan mijn bed. Allerlei apparatuur wordt gecontroleerd. De dokter verschijnt en legt me uit wat ze gaat doen.
Ik krijg een bolus van magnesium sulfaat, versneld toegediend via het infuus, en mijn lijf vult zich met brand. Ik voel het door mijn aderen schroeien, verzengend pijnlijk. Verstillend ook. Na een heftig uur dempen de brand en de stuipen. Verdoofd en uitgeblust lig in bed.
Zondag, nog twee dagen.

Maandag krijg ik bezoek van het hoofd van de afdeling, de fameuze Dr. Alberda. Ik ken hem nog van de hockeyvelden in mijn jeugd en van zijn behandeling van een van mijn beste vriendinnen.
“U heeft ons laten schrikken, dit weekend.”, zegt hij vaderlijk.
Ik vertel hem dat ik uitkijk naar dinsdag. Dat ik blij ben dat ik dan verlost word.

Voor het zover is ga ik nog de maandagnacht in, en kom die bijna niet meer uit.
De dienstdoende verpleegster wijkt geen minuut meer van mijn zijde en om zeven uur ’s ochtends als de ochtendploeg binnenkomt, word ik naar de operatiekamer gereden. Niks geen geplande keizersnee meer. Het moet nu gebeuren.
Ik lig precies één week in het ziekenhuis en ben nog even één.

Lees het vervolg: Twee

Trigger

Het is zoals het is.
Deze zomer trok vertraagd aan mij voorbij.
Mijn project op ’t werk was al maanden klaar en vanaf juni was ik een soort veredelde bankzitter in de non-profit. Dat gegeven is al een contradictio in terminus. In mei leek dat nog een aardig vooruitzicht: een zomer lang vrij van werk.
2008 is tot nu toe qua fysieke gesteldheid een flinke aanslag gebleken, dus een vakantie van ook het verstandelijk vermogen was nog helemaal geen slecht idee. Mens sana in corpore sana, toch?

Zo ben ik de afgelopen maanden tot een soort stilstand gekomen. Nou ja, stilstand, het stand-by knopje brandde nog. Ik gaf me over aan het structuurloze. Ik kan het allemaal: lummelen, mezelf vermaken, vegeteren, mijmeren, Genieten.
De fase van ‘moeten’ heb ik al jaren geleden achter me gelaten, wat heel prettig kan zijn.
Maar hoe minder druk, hoe leger de verpakking en inhoud. Dat ervaar ik dan weer wel.
Het gebrek aan mentale uitdaging zorgt dat mijn hersenmassa grijs blijft, terwijl ik zo van kleur houd.
Langzaamaan begon dat rode lampje weer een beetje te gloeien.

Deze maand moet die grijze massa weer gaan kleuren, zo veel is zeker.
Ik kan zo aan de slag ‘puin gaan ruimen’ bij een van onze business units. Ik wil echter ook wel weer eens bouwen. Die optie is elders binnen het bedrijf aanwezig. Dus een eerste gesprek: verliep top.
Het beslissende gesprek was afgelopen vrijdag.
Het had alles in zich om even goed te verlopen.

Is het mogelijk om van een vrijwel geheel vegetatieve stressvrije staat die al maanden duurt in één keer op scherp te staan?
Ja, maar kies dan de juiste trigger.
Soms kiezen triggers jou. En heb je het nakijken.

Het was een openingsvraag, of eigenlijk niet eens. Meer een check.
Mijn antwoord begon ik half grinnikend, verontschuldigend.
Zei iets over de promotie van mijn broer.
Ik zat daar toch?

Mijn fight or flight mechanisme was al in volle gang. Ik knokte links en rechts en had mezelf als tegenstander.
Een gevecht met twee verliezers: ik en mijn Schaduw.
Geen moment koos ik voor pas op de plaats, damage control, herbepalen van positie. Dodelijk!

Toen ik na een half uur de arena verliet was ik alleen maar boos. Ranselde mezelf. Trok mezelf nog even flink naar beneden. Zelfkastijding kan louterend werken, maar je moet het niet overdrijven. Mijn helikopter koos meta, analyseerde en besloot om in ieder geval mijn weekend niet te laten vergallen: ik heb immers een vrolijk joch thuis, dat gebaat is bij een vrolijke ik.
Maar vandaag is maandag en ik heb nog niets gehoord………

Will boys be boys?

Vroem, vroem.
De belletjes vormen op zijn lippen als hij het uitspreekt.
“Vroem, vroem”. Soms broem, broem met iets meer speeksel.
Je hoeft geen rocketscience te hebben gestudeerd om te weten waarover hij het heeft. De algemene deler is: alles wat beweegt, motorisch gestuurd wordt en lawaai maakt.
Dus brommers, motoren, de tram, tractoren, veegwagens, vuilniswagens, helikopters, auto’s en de wasmachine wanneer hij spint op 1600 toeren.
Hoe meer herrie, hoe meer ‘vroem vroem’, hoe meer glinster in zijn pretoogjes.

Regelmatig vraag ik me af: als ik nou een meisje had gehad, zou zij hier in net zo geïnteresseerd zijn?

Nurture
Tot niet zo lang geleden gingen de geleerde heren en dames wetenschappers ervan uit dat de verschillen tussen de beide seksen aangeleerd zijn. Meisjes wordt dus geleerd fijn met poppen te spelen, en jongens móeten nou eenmaal van pappie en mammie grote hijskranen bouwen van lego en met graafmachines over het tapijt racen.

Nature
Tegenwoordig weet men beter, zegt men.
Mechanistische biologen die genen steeds verder ontleden komen steeds tot grotere ontdekkingen. Men weet nu dat de samenstelling van je hormoonspiegel in je prilste jeugd enorme invloed heeft op de ontwikkeling van je brein. Het type geslachtshormonen dat je in je jeugd in je lichaam hebt bepaalt tot welk type – mannelijk of vrouwelijk – je hersenen zich ontwikkelen.

Ik vraag me dan het volgende af. De genetische code in de DNA-moleculen bepaalt de volgorde van aminozuren in eiwitten; wat niet wordt bepaald is de manier waarop de eiwitten in cellen, cellen in weefsels, weefsels in organen en organen in organismen worden gerangschikt. Dus men veronderstelt dat een organisme zich automatisch vormt.
Als je de juiste ingrediënten op de juiste tijd in de keuken aflevert, ontstaat er dan spontaan een soufflé? Als je de vaat op het aanrecht plaatst, wordt die dan gedaan?
Of om bij het onderwerp te blijven, will boys be boys?

Er is nog een soort derde weg, die Nature en Nurture met elkaar verenigt.
Het individuele geheugen en gedrag zijn het gevolg van het feit dat organismen het sterkst resoneren met hun eigen verleden, maar dat organismen ook beïnvloed worden door morfische resonantie (Sheldrake) van soortgenoten via een soort geheugenreservoir zo je wilt database, te vergelijken met het collectief onderbewuste (Jung)

Dat hele Nature/Nurture debat kan me gestolen worden. Ik zoek zelf wel de verschillen.
En dat levert de volgende anekdote op.

Vandaag was Rotterdam het Monaco aan de Maas.
Als Jake morgen klaagt over pijn in zijn nek dan komt dat door het vele staren en wijzen naar ‘Vietuig, vietuig’.
De helikopters en vliegtuigen cirkelden als buizerds in de lucht boven het circuit.
Vanochtend vroeg liepen we naar een festival terrein dat volgebouwd stond met stands met muziekzenders, veilig verkeer Nederland, pitspoezen, snelle auto’s, raceauto’s.
Het werd een vader/zoon dag, zonder twijfel. Ik detoneerde.
Jake werd als een magneet getrokken naar deze Tonka auto’s voor de volwassen man.
Aanraken moest en zou hij. Dat de auto’s gevangen zaten in een omheining boeide hem niet. Daar kon je toch onderdoor?
Uiteraard moest hij er ook in, wat natuurlijk een leuk plaatje opleverde.

’s Middags rook de Rotterdamse lucht naar ‘burnt rubber’. Of rook testosteron voor de verandering zo. De vrouwen hadden vandaag en masse een vriendinnendag: buiten Rotterdam.
Ik ging met Jake vlak onder aan de Willemsbrug staan, tegen een hek. Jake op mijn nek, met goed uitzicht op het circuit. Binnen no time klonk het dierlijke gebrul van de Renault F1 van Doornbos.
Ik voelde hoe Jake’s handjes mijn haren stevig vastgreep. Brullend zoefde de bolide langs. ‘Vroem, vroem’, hoorde ik boven me.
Het ging nog goed.
Even later kwam het gedonder weer, en scheurde de volgende bolide langs. Jake’s grip op mij werd nog steviger.
De return via de Willemsbrug werd hem teveel. Mijn haren trok hij bijkans uit mijn hoofd en ik voelde hoe zijn lijfje trilde.
Ik tilde hem snel van mijn schouders af en trok hem dicht tegen me aan.
Hij was al begonnen met huilen.
Vroem, vroem klonk ineens niet zo stoer meer.