Ik hang boven het toilet en geef over.
Als ik uitgekotst ben en mezelf in de spiegel bekijk, zie ik de vochtwallen onder mijn ogen. De weegschaal klokt tien kilo meer vergeleken met drie dagen ervoor. Iets klopt hier niet.
Het is vijf over acht, als ik de doktersassistente bel vanaf mijn werk met de vraag of ik tussen de middag even langs mag komen om mijn bloeddruk te laten meten en bij haar op de weegschaal te staan.
“Ik voel me niet zo lekker”, kwalificeer ik mijn verzoek.
Als ik vier uur later en drie kilometer verder bij de dokter aankom, ben ik blij dat ik even een rustpuntje heb. De oude doktersweegschaal trekt mijn gewicht niet, net zo min als de bloeddrukmeter. Die springt spontaan van mijn bovenarm. Bij de tweede poging geeft hij 160/110.
Ongeloof. 120/65 is normaal voor mij. Wat verontrust overleg ik met mijn arts, die me adviseert met de gynaecoloog te bellen in het ziekenhuis. Kort en zakelijk geef ik de feiten door en hoor dat ik maar even langs moet komen. Op mijn fiets maak ik de rit van West naar Noord, slechts vijf kilometer tegen de wind in. Het voelt alsof ik alleen maar een vals plat berijd.
Net voordat ik het ziekenhuis in ga, pleeg ik een telefoontje en vertel ‘What’s happening”.
Enigszins ongerust stap ik het SFG binnen, en ga naar de polikliniek. Ik word in een lege kamer gezet en een verloskundige i.o. neemt de anamnese af. Er wordt bloed en urine afgenomen; ik word aan een monitor gelegd en krijg een riem om mijn buik die de harttonen op moet pikken van mijn ongeboren kind. Ik lig alleen, minuten en uren verstrijken. De verloskundige i.o. komt terug en brengt een katheter in om schone urine te krijgen. De mijne was niet helemaal zuiver. Als ik schoon en ongelood geplast heb, wordt dit opnieuw naar het lab gestuurd voor analyse.
Om half zeven ’s avonds krijg ik het verlossende woord: “Mevrouw Hekstra, u mag niet naar huis, u wordt opgenomen”. Een steek gaat door mijn lijf.
“Niet naar huis, waarom niet?”
“U heeft eiwit in uw urine”.
“Ja, en? Wat houdt dat in dan?”
“U heeft waarschijnlijk pre-eclampsie, zwangerschapsvergiftiging”.
De Z van Zwangerschapsvergiftiging. Ik ken het woord nauwelijks. Ik ben pas bij de A van Acceptatie. Ik mag dan wel zwanger zijn: er mee bezig zijn doe ik alleen de laatste tien minuten van de dag als ik in bed lig, voordat ik ga slapen. Dan probeer ik me voor te stellen, wie er in me groeit. Leg ik mijn handen op mijn harder en ronder wordende buik en probeer ik mijn kindje te voelen. Ik heb hem nooit in mijn buik gevoeld, nooit voelen schoppen, nooit horen hikken. Hij lag daar maar, heerlijk, in gewatteerde buikwand met daartussen nog de placenta.
Ik bel mijn vriendin op en vraag haar naar het ziekenhuis te komen met wat toiletspullen en een nachthemd, die zij gelukkig voor me heeft. Ook vraag ik haar om een aantal zakelijke spullen.
Ik word naar zaal gebracht en krijg een bed naast het raam. Met mij erbij liggen er 5 vrouwen te wachten op hun bevalling. Ik voel me ontheemd. Ik hang een beetje op bed, wachtend op mijn vriendin. Sms kort en bondig de laatste ontwikkelingen door aan mijn dierbaren. Knoop ondertussen korte gesprekjes aan met de dames. Hoor hun kwalen en redenen waarom ze hier liggen. Ik zeg alleen dat ik me vanochtend niet lekker voelde, een probleemloze zwangerschap kende tot nu toe en niet goed begrijp waarom ik nu moet blijven. Dat ik ook verwacht dat ik morgen wel weer naar huis toe ga, Ik voel me toch niet zó slecht? Bij het horen van ‘mogelijke zwangerschapsvergiftiging’ krakeelt de één na de ander. De boodschap is eensluidend: je moet rust houden!
Ik lig op een zaal met zwangere vrouwen. Ik moet er aan geloven. Fien, ook jij bent zwanger! 31 weken, wel te verstaan!
Langzaam aan begint er iets in te dalen.
Het is dinsdagavond 19 september 2006.
Na een moeizame nacht in een te klein bed waarvan de lakens steeds schoven op de met plastic bedekte matras, word ik vergast op mijn eerste ziekenhuis ontbijt rond half zeven. Sneetje wit, sneetje bruin, plakje geel, plakje rood. Thee en limonade. Vervolgens is het wachten op de doktersronde om elf uur. Voor die tijd is er weer bloed bij me afgenomen, is mijn bloeddruk opgemeten en heb ik weer die riem om mijn buik gehad.
Terwijl ik wacht op de dokter, bel ik met mijn secretaresse. Voor me op bed liggen drie aantekenmappen en mijn laptop. Ik maak aantekeningen terwijl ik met haar praat en werk delegeer. Mijn to do lijstje wordt to do later lijstje. De dames om me heen vragen aan me of ik niet wat rustiger kan doen. Dit is toch nooit goed voor me? Maar ik denk nog steeds naar huis te kunnen gaan.
De verpleegsters hebben gevraagd hoe ik me voel. Ik voel me goed. Mijn bloeddruk is naar beneden, maar mijn bloed- en urine waarden geven een alarmerend beeld. Dat krijg ik te horen als de gynaecoloog i.o. langskomt.
“We houden u hier tot 35-36 weken. Vanaf die datum is een ingeleide bevalling te doen; is het kindje voldoende gegroeid”.
Shit, nog 5 weken in dit ziekenhuis? Zijn ze nou helemaal betoeterd. Ik sms met vriendin die een verloskundige praktijk heeft. We hebben het over thuis monitoren. Dat ga ik de dames en heren doktoren hier straks wel even duidelijk maken.
Ik wil van zaal af. Ik sta op en strompel voorbij de verpleegpost. “Waar gaat u naar toe”, vraagt de zuster. “Ik ga even naar beneden”, antwoord ik. Ik wil naar buiten. De warmte en droge lucht komen me nu al de strot uit.
Dan hoor ik een uitgaansverbod tegen me afgekondigd worden. Ik mag niet van zaal af. En ik mag ook niet lopen.
De eerste tranen wellen op. Tranen die al verstikt waren van de dag ervoor. Ik begin ontredderd te huilen. Voel me gekooid. Nog geen 24 uur geleden fietste ik doodleuk hiernaar toe, nietsvermoedend. Nu mag ik niets meer. Ik leg dit uit aan de verpleegster en vraag om haar begrip. Ik wil de frisse lucht voelen, ik wil vijf minuten naar beneden. Alsjeblieft. Ze strijkt over haar hart. Ik mag in een rolstoel naar beneden met een begeleider. Een van de dames die een sigaret wil roken (old habits die hard, even when you’re pregnant) duwt me de lift in. Eenmaal beneden scoort zij een sigaret en ik verlaat mijn rolstoel om even te gaan fietsen. Mijn vrijheidsdrang uit zich door even te gaan fietsen. Als een kind zo blij leg ik honderd meter af: een ritje heen en weer langs geparkeerde auto’s. Meer trek ik niet. Dan met een big smile klim in weer in de rolstoel en laat me terugbrengen naar de afdeling. De fiets zal daar vijf weken blijven staan.
Mijn eerste bezoek komt langs. Mijn laptop wordt ingenomen en ik krijg een vermanend standje. “Besef je wel Fien, dat je in de ontkenning zit?”
Nou èn of ik dat besef. Ik wil er alleen niet aan. In een sneltrein vaart ben ik hier beland en in diezelfde vaart moet ik accepteren dat ik zwanger ben, ziek ben, zo mogelijk erg ziek, dat ik controle uit handen moet geven, dat ik rustig moet blijven, dat ik alles moet doen om te zorgen dat ik overeind blijf.
Geen moment nog, denk ik aan het levende wezen in me. Ik voel het immers toch niet? Ik maak me derhalve ook geen zorgen om hem. Maar ook nog niet om mezelf.
Nu ik gehoord heb dat ik na onderhandelen over thuis monitoren, toch echt in het ziekenhuis blijf en toch wel echt tot 35 weken, kom ik tot inkeer en leg me neer bij de situatie.
Switch ik uit office modus naar laisser faire modus. Het helpt enorm dat ik drie jaar lang als projectmanager in het Erasmus MC heb gewerkt. Ik weet dat ik in het SFG in heel goede handen ben.
Ik heb nog een eis. Als ik toch moet blijven, wil ik een goed bed. Een bed dat me ruimte en steun biedt. Mijn lichaam begint op een stuwmeer te lijken. Alles zet zich vast in mijn lijf.
Er komt een speciaal bed voor mij. Een bed dat normaliter gebruikt wordt voor zwaarlijvige patiënten die een maagverkleining krijgen. Dit bed, dat niet in de normale lift past en met moeite de gang op kan heeft een stalen opgebouwd frame. Ik zal daar nog goed gebruik van maken om me op te trekken en om vol te hangen met kaarten en knuffels. Mijn eigen kussen van thuis wordt gebracht. Ik installeer mij. Ik ben bijna prinses op de erwt.
Inmiddels zijn op mijn pols en hand allerlei infuusnaaldjes ingebracht en beginnen mijn armen blauwe plekken te vertonen van het vele (mis) prikken. Ik maak een ritje met een verpleegster naar de bovenste verdieping om op de weegbrug te staan. Men moet immers weten hoeveel ik weeg en aankom.
Ik lees wat tijdschriften, hang wat af en keer steeds meer in mezelf.
Regelmatig checkt de verpleging hoe ik me voel. Als ik een strak bandgevoel om mijn maag voel, of hoofdpijn krijg, misselijk ben of lichtflitsen zie, moet ik hen waarschuwen. Ik voel niets van dat alles. Voel ik eigenlijk wel?
In de nachten ben ik onrustig. Ik kan niet slapen. Ik sta steeds op en ga dan op zoek naar de nachtzuster. Maak een praatje en duik dan weer mijn bed in. Ik wacht op de dag. Op de dag is er genoeg afleiding. Hoef ik niet te voelen. Kan ik ook niet nadenken.
Een paar dagen glijden voorbij. De prognose wordt bij elke visite bijgesteld. Als het vrijdag is krijg ik te horen dat men me volgende week wil gaan inleiden en dat ik prikjes ga krijgen voor de longrijping van mijn ongeboren kind. Die prik krijg ik in mijn dijbeen. Ik vind dat zo’n vreemde gedachte. Een prik krijgen in je dijbeen om de longen van je kind te doen rijpen. In je dijbeen. Hoe helder denk ik nog?
Ik ben wel blij dat men steeds bijstelt en dat ik dus versneld het ziekenhuis zal verlaten. Dat het óók betekent dat ik volgende week moeder zal zijn, daalt nog niet in. Nog steeds niet, ook al verdwijnen er dames van mijn zaal om te bevallen.
Vrijdag nacht is een keerpunt. Ik word wakker van lichtflitsen. Ik zie lichtflitsen, realiseer ik me. En nu? Wat nu? Ik doe mijn ogen open en zie dan na een halve minuut een lichtflits buiten hoog in de lucht. Het onweert. Niet in mijn hoofd. Geruststelling. Tijdelijk.
Ik krijg het benauwd. Ik heb het gevoel dat ik niet kan ademen. Ik blijf rustig. Ik bel de nachtzuster en vertel haar over mijn benauwdheid. Mijn longen lopen vol. En mijn urinezak blijft leeg.
Ik ga een tijdje bij haar zitten en wacht tot de uren verstrijken. Ik besef dat ik, als dit thuis gebeurd was, nooit 112 gebeld zou hebben. Ik ben oprecht blij dat ik hier lig.
De volgende ochtend word ik met bed en al verhuisd naar een privé kamer. Ik moet volledige rust krijgen. Geen afleiding meer. Gedoseerd bezoek, max. twee personen per keer voor een korte periode.
Ik heb een eigen badkamer. Als ik het benauwd krijg ga ik heel heet douchen met Kneipp eucalyptus badolie. Dan heb ik even het gevoel dat ik lucht krijg. Ik zal hierna nooit meer met eucalyptus douchen. Ik moet geholpen worden met afdrogen. Mijn lichaam staat strak van het vocht. Ik kan nauwelijks nog buigen. Een michelin mannetje is een slap aftreksel van hoe ik er uit zie.
Naast mijn bed staat een tafeltje. Op dit tafeltje ligt een keur aan medicatie en een aantal opgetrokken spuiten met steriele naalden. Klaar om in één keer acuut gebruikt te worden, indien nodig.
In ben inmiddels van laisser faire naar overlevingsmodus geswitcht. Een soort serene rust is over me heen gedaald. Ik voel alles om me heen vertragen. Mijn bezoek brengt me de heerlijkste lekkernijen. Verse biologische broodjes en yoghurt van Proef, mijn lievelingsspot. Verse sushi en sashimi. Galgenmaal, elke maaltijd weer. Ik word verwend en omringd met liefde.
Nooit maak ik me zorgen om mijn kind. Alleen met mijn ex man bespreek ik mijn grootste angst. Dat wat ik voel. Ik voel de dood heel dichtbij. Altijd heb ik gezegd dat ik zou sterven tussen mijn 41e en 42e levensjaar. Een aantal maand hiervoor had ik het nog met hem hierover gehad. Cameron zei toen dat ie dacht dat ik ook dood zou gaan. In figuurlijke zin: ik zou immers het leven schenken aan, en daardoor deel van mezelf verliezen. Nu lig ik hier en elke vezel in mijn lijf is getuned op overleven.
De dienstdoende arts heeft op de ochtendronde me verteld dat men niet meer gaat inleiden, maar een geplande keizersnee gaat uitvoeren op dinsdagmiddag, vier uur. Men heeft hier toe besloten omdat mijn waarden dramatisch snel achteruit gaan en de onvoorspelbaarheid van het ziekte verloop steeds grilliger wordt.
De verpleging heeft strikte orders mij niet ongerust te maken. Rustig te houden. Dat betekent ook dat ik niet van hen hoor, hoe ik er voor sta. Een lage bloeddruk is nu van het grootste belang. Mijn longen, nieren en lever doen het al niet meer. Laat dat hart nou met rust, is het devies. bij het meten van mijn bloeddruk springt steeds vaker de band van mijn arm; het wordt praktisch onmogelijk. Wel word ik weer voorzien van nieuwe infuusnaalden, op mijn knokkels. Mijn armen zijn zo gezwollen dat elke ader verdwenen is en elke vorm zoek.
Zondag krijg ik mijn eerste insult. Gek genoeg is die aangekondigd door mijn waarden en heeft de dienstdoende arts i.o. me al verteld wat mogelijk zal gaan gebeuren. Zij vertelt het me, omdat ik het haar vraag. Ik ben rustig en blijf rustig. Ik ben nou eenmaal iemand die graag de worst case scenario’s hoort, zodat ik me daar op in kan stellen. Mijn innerlijke vertraging zorgt ervoor dat ik mezelf behoed voor paniekaanvallen.
De rust die ik voel, is niet te beschrijven. Het is een soort gelatenheid, zonder dat ik me passief voel. Ik heb dat ooit eerder ervaren, toen ik de dood in de ogen keek bij een verkeersongeluk met dodelijke afloop tijdens mijn verblijf in Azië.
Een volkomen windstilte van de ziel.
Het insult kondigt zich aan in mijn benen. Mijn benen beginnen ongecontroleerd te trillen. Steeds heftiger en schokkender. Ik kijk er naar en kan niets doen. Ik duw op de rode knop en binnen no time staat de verpleging aan mijn bed. Allerlei apparatuur wordt gecontroleerd. De dokter verschijnt en legt me uit wat ze gaat doen.
Ik krijg een bolus van magnesium sulfaat, versneld toegediend via het infuus, en mijn lijf vult zich met brand. Ik voel het door mijn aderen schroeien, verzengend pijnlijk. Verstillend ook. Na een heftig uur dempen de brand en de stuipen. Verdoofd en uitgeblust lig in bed.
Zondag, nog twee dagen.
Maandag krijg ik bezoek van het hoofd van de afdeling, de fameuze Dr. Alberda. Ik ken hem nog van de hockeyvelden in mijn jeugd en van zijn behandeling van een van mijn beste vriendinnen.
“U heeft ons laten schrikken, dit weekend.”, zegt hij vaderlijk.
Ik vertel hem dat ik uitkijk naar dinsdag. Dat ik blij ben dat ik dan verlost word.
Voor het zover is ga ik nog de maandagnacht in, en kom die bijna niet meer uit.
De dienstdoende verpleegster wijkt geen minuut meer van mijn zijde en om zeven uur ’s ochtends als de ochtendploeg binnenkomt, word ik naar de operatiekamer gereden. Niks geen geplande keizersnee meer. Het moet nu gebeuren.
Ik lig precies één week in het ziekenhuis en ben nog even één.
Lees het vervolg: Twee
Geen opmerkingen:
Een reactie posten