donderdag 22 januari 2009

Bij nacht zijn alle katten grauw

Djoj, centrum voor persoonlijke ontwikkeling, hield een open dag.
Mijn vriendin nam haar bejaarde moeder mee.
Verstandig.

Nadat ik ooit met haar een avondje – zo’n leuk verjaardagscadeautje, Fien - klankschaal, didgeridoo en regenwoud geluiden op een yoga matje, gehuld in gemakkelijke kleding had overleefd, durfde ze mij niet meer te vragen.
The less said, the better.

Onze relatie?
Zo nu en dan stijgt ze op.
En als ze crasht, vang ik haar op.
Zo nu en dan maak ik een misstap.
En als ik val, ziet zij als eerste mijn tranen.

Koffiegesprek.

‘Gisteren zo’n vreemde workshop meegemaakt.‘

‘Vertel!’


‘We stonden in een open ruimte en moesten lief zijn voor onszelf.
Contact maken met je zelf.
Zachtjes met je hand over je arm en schouders wrijven.
Ervaren, hoe dat voelt.’

Ik neem nog een slok van mijn supergezonde fruitmix.

‘Jaahhh, en toen?’

‘Dat voelde best lekker.’

Ze demonstreert.

‘Vervolgens maakten we contact met een ander door elkaars armen tegen elkaar aan te wrijven.‘

‘Hoe heette die workshop?’

‘Lichaamsgerichte contact improvisatie, of zoiets.
Daarna stonden we rug aan rug tegen elkaar aan te schuren.
Lekker hoor, je weet hoezeer ik lichamelijk contact waardeer.’

En of ik dat weet. Regelmatig schurkt ze tegen mij aan.

‘Maar, wie was daar dan. Hoe groot was de groep en deed je moeder ook mee.
Wat moet ik er bij voorstellen?‘


‘Er waren 18 mensen, evenveel mannen als vrouwen.
Mijn moeder zat op een stoel tegen de muur een Libelle te lezen.’

Ik stel me de menigte voor.
Mannen en vrouwen, rugdekking zoekend bij elkaar.

‘Was er muziek of geluid?’

‘We moesten poezen uitbeelden.’

Ik spits mijn oren, mijn snorharen staan op alert.
Beeld scherpt aan.

‘En jij?’

Prrr, prrrr, prrr, spint ze en kroelt in haar stoel.

Ik lach en zie één grote kluwen krioelende mensen voor me, beestachtig tekeer gaan.

‘Toen moesten we gaan liggen en aan elkaar gaan ruiken.
Naast mij lag een vrouw met haar neus in het kruis van een man.
Dat vond ik toch wel ver gaan.’

Je moet de kat niet bij de melk zetten.

‘En wat deed jij dan?’

‘Ik ging niet liggen, ik was toen een boom. ‘

‘Het is maar goed dat jullie geen honden uitbeeldden.’

Geen opmerkingen: